Ontdek 50 meditaties van Pasen tot Pinksteren

Verdediging en aanklacht

Jan Degraeuwe
Donderdag na de 2e zondag van Pasen

Toespraak van Stefanus
Hand, 6,8-15;7,1-60

Door God rijk begunstigd met kracht, deed Stefanus grote wonderen en tekenen onder het volk.  Maar enkele leden van de Synagoge van de Vrijgelatenen, afkomstig uit Cyrene, Alexandrië, Cilicië en Asia, begonnen met Stefanus te disputeren. Ze waren echter niet opgewassen tegen de geest en de wijsheid waarmee hij sprak.  Daarna instrueerden zij enkele mannen om te verklaren: ‘Wij hebben hem lastertaal horen spreken tegen Mozes en God.’  Zij maakten stemming onder het volk en de oudsten en schriftgeleerden.

Toen pakten zij hem op en sleepten hem voor het Sanhedrin.  Daar schoven zij valse getuigen naar voren om te verklaren: ‘Die man preekt onophoudelijk tegen deze heilige plaats en de wet. Zo hebben wij hem horen zeggen dat die Jezus de Nazoreeër deze tempel zal afbreken en de zeden en gewoonten zal veranderen die Mozes ons heeft overgeleverd.’ De ogen van allen die zitting hadden in het Sanhedrin waren op hem gericht; zij zagen in zijn gezicht het gezicht van een engel. Toen vroeg de hogepriester: ‘Is dat allemaal waar?’  Hij zei: ‘Broeders, vaders, luister. De God der heerlijkheid verscheen in Mesopotamië aan onze vader Abraham, voordat deze zich in Haran vestigde, en zei hem: “Trek weg uit uw land en van uw familie en kom naar het land dat Ik u wijzen zal.”  Daarop trok hij weg uit het land van de Chaldeeën en vestigde zich in Haran. Vandaar liet Hij hem na de dood van zijn vader verhuizen naar dit land, waar u nu woont. Hij gaf hem er nog geen voetbreed van in eigendom, maar beloofde het hem en zijn nakomelingen in bezit te geven, ook al had hij toen nog geen kinderen.  Dit is wat God zei: “Zijn nakomelingen zullen als vreemdeling verblijven in andermans land, men zal hen tot slaaf maken en hen vierhonderd jaar lang slecht behandelen. Maar over het volk dat zij als slaaf zullen dienen, zal Ik het oordeel vellen,” zei God, “en daarna zullen zij wegtrekken en Mij op deze plaats vereren.” Hij sloot met hem het verbond van de besnijdenis. Zo verwekte hij Isaak en besneed hem op de achtste dag, en Isaak Jakob, en Jakob de twaalf stamvaders.  Uit jaloezie verkochten de stamvaders Jozef naar Egypte, maar God was met hem,  en redde hem uit zijn ellende, en begiftigde hem met wijsheid, zodat hij in de gunst kwam bij de farao, de koning van Egypte; deze gaf hem de leiding over Egypte en heel zijn huishouding.  Toen kwam er een hongersnood over heel Egypte en Kanaän en grote ellende, en onze vaderen hadden niets meer te eten.  Maar toen Jakob hoorde dat er in Egypte koren was, stuurde hij onze vaderen daarheen; dat was de eerste keer.  De tweede keer maakte Jozef zich aan zijn broers bekend en kwam de farao Jozefs afkomst te weten.  Daarop liet Jozef zijn vader Jakob overkomen met heel zijn familie, vijfenzeventig man;  Jakob vertrok dus naar Egypte. Hij stierf daar, en ook onze vaderen;  zij werden overgebracht naar Sichem en bijgezet in het graf dat Abraham voor een bepaald bedrag van de zonen van Hemor in Sichem had gekocht.  Naarmate de tijd naderde van de belofte die God aan Abraham had gedaan, groeide het volk in Egypte. Het werd steeds groter,  totdat er in Egypte een andere koning aan de macht kwam, die van Jozef niets wist.  Deze trad sluw op tegen ons volk en behandelde onze vaderen slecht; zo dwong hij hen om hun pasgeboren kinderen te vondeling te leggen, om het volk te laten uitsterven.  In die tijd werd Mozes geboren. Hij was een wondermooi kind; drie maanden lang werd hij in het huis van zijn vader verzorgd,  maar toen hij te vondeling was gelegd nam de dochter van de farao hem mee en liet hem opvoeden als haar eigen zoon.  Ook werd Mozes onderwezen in alle wijsheid van de Egyptenaren; hij was een machtig man in woord en daad.  Toen hij veertig jaar was, kwam het verlangen in hem op zich het lot aan te trekken van zijn broeders, de Israëlieten.  En toen hij zag dat een van hen onrecht werd aangedaan, nam hij het voor hem op en verschafte hij recht aan de mishandelde man door de Egyptenaar neer te slaan.  Hij meende dat zijn broeders zouden begrijpen dat God hun door zijn hand redding zou brengen, maar zij begrepen het niet.  De volgende dag verscheen hij juist toen zij aan het vechten waren; hij probeerde de vrede te herstellen met deze woorden: “Maar jullie zijn toch broeders! Waarom doen jullie elkaar onrecht aan?”  Maar de man die de ander onrecht deed, duwde hem weg en zei: “Wie heeft jou tot leider en rechter over ons aangesteld?  Wil je mij soms ook doden, net zoals je gisteren die Egyptenaar hebt gedood?”  Vanwege dit voorval vluchtte Mozes, en hij ging als vreemdeling in het land Midjan wonen, waar hij twee zonen verwekte.  Toen er veertig jaren verstreken waren, verscheen hem in de woestijn van het Sinaigebergte een engel in het vuur van een brandende doornstruik.  Vol verwondering sloeg Mozes het schouwspel gade, maar toen hij erheen ging om te kijken wat het was, klonk de stem van de Heer:  “Ik ben de God van uw vaderen, de God van Abraham, Isaak en Jakob.” Mozes begon te beven van schrik en durfde niet te gaan kijken.  Daarop zei de Heer tegen hem: “Doe uw schoenen uit, want de plaats waar u staat is heilige grond.  Ik heb de slechte behandeling van mijn volk in Egypte wel gezien, en hun zuchten heb Ik gehoord, en Ik ben afgedaald om hen te bevrijden. En nu, kom, Ik stuur u naar Egypte.”  Deze Mozes, die ze hadden afgewezen door te zeggen: “Wie heeft jou tot leider en rechter aangesteld?”, juist hem heeft God als leider en bevrijder gezonden door de hand van de engel die hem in de doornstruik verscheen.  Hij is het die hen dat land heeft uitgeleid en veertig jaar lang wonderen en tekenen deed in Egypte, in de Rode Zee en in de woestijn.  En het is Mozes die tegen de Israëlieten heeft gezegd: “Uit uw midden zal God een profeet laten opstaan zoals ik.”  Hij is het die in de gemeenschap in de woestijn bij onze vaderen was en bij de engel die op de berg Sinai met hem sprak; hij ontving woorden van leven om ze aan ons te geven,  maar onze vaderen wilden niet naar hem luisteren; ze wezen hem af en keerden in gedachte terug naar Egypte; 40 toen zeiden ze tegen Aäron: “Maak goden voor ons die voorop kunnen gaan, want die Mozes, die ons uit het land Egypte heeft geleid, wij weten niet wat er met hem is gebeurd.”  In die dagen maakten ze een stierkalf, brachten offers aan dat beeld en verlustigden zich in het werk van hun handen.  Nu keerde God zich af en gaf hen prijs aan de eredienst van de hemelmachten, zoals geschreven staat in het boek van de profeten: Hebt u Mij soms slachtoffers en brandoffers gebracht, die veertig jaar in de woestijn, huis van Israël?
Maar u hebt wel de tent van Moloch gedragen en de ster van uw god Raifa, de beelden die u gemaakt hebt om ervoor te knielen!
Ik zal u een woonplaats geven ergens achter Babylon! Onze vaderen hadden in de woestijn de tent der getuigenis, die was gemaakt volgens de opdracht van degene die tot Mozes gesproken heeft, naar het model dat hij had gezien. In de volgende generatie brachten onze vaderen haar het land binnen toen ze dat met Jozua op de volkeren veroverden, die God verdreef uit het oog van onze vaderen; zo bleef het tot de dagen van David,  die genade vond bij God en een heiligdom wilde vinden voor het huis van Jakob. Pas Salomo bouwde een huis voor Hem.  Maar de Allerhoogste woont niet in wat door mensenhand is gemaakt, zoals de profeet zegt:  De hemel is mijn troon, en de aarde een voetbank voor mijn voeten;
wat voor huis zou u voor Mij moeten bouwen, zegt de Heer, welke plaats zou mijn rustplaats moeten zijn? Heeft mijn hand dat alles niet gemaakt? Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oor! Altijd maar verzet u zich tegen de heilige Geest, u net zo goed als uw vaderen.  Welke profeet hebben uw vaderen niet vervolgd? Zij hebben de aankondigers van de rechtvaardige ter dood gebracht, u hebt Hemzelf verraden en vermoord;  u die door tussenkomst van engelen de wet hebt ontvangen, maar die niet onderhoudt
. Toen ze dit hoorden, waren ze diep gekwetst, en ze knarsetandden van woede tegen hem.  Maar hij stond daar, vol van de heilige Geest, hij richtte zijn blik op de hemel, zag de heerlijkheid van God, en daar stond Jezus aan Gods rechterhand. Hij zei: ‘Ik zie de hemelen open en ik zie de Mensenzoon staan aan de rechterhand van God.’  Maar ze hielden hun oren dicht, begonnen luid te schreeuwen, stormden als één man op hem af,  sleurden hem de stad uit en stenigden hem. De getuigen legden hun kleren neer bij een jongeman, die Saulus heette. Ze stenigden Stefanus, terwijl hij bad: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’  Hij viel op zijn knieën en riep met luide stem: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan.’ Na deze woorden stierf hij.

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

0
Shares