Ontdek 50 meditaties van Pasen tot Pinksteren

Ze doen het weer !

Annemie Deckers
Dinsdag na de 2e zondag van Pasen

Ze doen het weer !
Hand, 5,12-42

Door de handen van de apostelen gebeurden er vele tekenen en wonderen onder het volk. Eensgezind bevonden zij zich allen in de Zuilengang van Salomo. Geen buitenstaander durfde zich met hen in te laten, maar het volk sprak met grote waardering over hen. Steeds weer sloten zich mensen aan die in de Heer geloofden, grote groepen mannen en vrouwen; zelfs droeg men de zieken de straat op en legde hen daar neer op een bed of een matras, in de hoop dat wanneer Petrus voorbijkwam in ieder geval zijn schaduw op een van hen zou vallen.

Ook de bevolking uit de steden rondom Jeruzalem stroomde in groten getale toe; ze brachten zieken mee en mensen die te lijden hadden van onreine geesten, en allen werden genezen. De hogepriester echter en heel zijn aanhang, de partij van de sadduceeën, werden vervuld met jaloezie; 18 ze arresteerden de apostelen en zetten hen in de stadsgevangenis.  Maar een engel van de Heer opende ’s nachts de deuren van de gevangenis, bracht hen naar buiten en zei:  ‘Jullie moeten weer naar de tempel gaan om aan het volk het nieuwe leven te verkondigen.’ Ze gaven hieraan gehoor en gingen tegen de ochtend de tempel binnen en zetten hun onderricht voort. Inmiddels riepen de hogepriester en zijn aanhang het Sanhedrin bijeen, de voltallige raad van oudsten van de Israëlieten, en ze stuurden dienaren naar de gevangenis om hen te halen. Toen die daar kwamen, troffen ze hen niet meer in hun cel aan. Ze keerden terug en brachten verslag uit: ‘Wij vonden de gevangenis zorgvuldig afgesloten en er stonden bewakers bij de deuren, maar toen we die open hadden gedaan troffen we daarbinnen niemand aan.’ Toen de tempelcommandant en de hogepriesters dit verslag hadden gehoord, wisten ze met de situatie totaal geen raad. Maar toen kwam iemand hun melden: ‘Die mannen die u in de gevangenis hebt gezet, bevinden zich in de tempel en staan onderricht te geven aan het volk!’ Toen ging de commandant er met zijn dienaren op af en nam hen mee, zonder geweld te gebruiken, want ze waren bang dat ze door het volk gestenigd zouden worden. Ze namen hen dus mee en brachten hen voor het Sanhedrin. De hogepriester vroeg hun: ‘Hebben we u niet ten strengste verboden onderricht te geven met een beroep op deze naam? Toch is Jeruzalem door uw toedoen vol van uw leer; u wilt zeker het bloed van die man op ons laten neerkomen?’ Daarop gaf Petrus namens de apostelen ten antwoord: ‘God moet men meer gehoorzamen dan de mensen. De God van onze vaderen heeft Jezus tot leven gewekt, die u vermoord had door Hem aan een kruis te hangen. Hem heeft God een hoge plaats gegeven aan zijn rechterhand als leidsman en redder, om Israël te bekeren en het zijn zonden te vergeven. Wij zijn daarvan de getuigen, samen met de heilige Geest, die God gegeven heeft aan wie Hem gehoorzamen.’ Toen zij dit hoorden, waren zij hevig gekwetst, en ze wilden hen ter dood brengen. Maar toen stond een van de leden van het Sanhedrin op, een farizeeër, Gamaliël geheten, een wetsleraar die in aanzien stond bij heel het volk. Hij liet de mannen even naar buiten brengen. Daarop zei hij: ‘Israëlieten, bedenk wel wat u met deze mensen gaat doen. Enige tijd geleden immers trad Teudas op met veel pretenties; een groep van ongeveer vierhonderd man sloot zich bij hem aan. Hij werd ter dood gebracht, zijn aanhang verliep en de hele beweging bloedde dood. Na hem, in de tijd van de volkstelling, trad Judas de Galileeër op; hij kreeg veel mensen in beweging, maar ook hij vond de dood, en zijn aanhang werd uit elkaar geslagen. Daarom zeg ik ook in dit geval: laat u niet in met deze mensen; laat hen begaan. Want als het mensenwerk is wat zij willen en doen, zal het op niets uitlopen; maar komt het van God, dan kunt u hen toch niet vernietigen – anders zou zelfs kunnen blijken dat u zich tegen God verzet.’ Ze lieten zich door hem overtuigen, riepen de apostelen weer binnen, geselden hen, verboden het hun om te verkondigen met een beroep op de naam van Jezus, en lieten hen vrij. Zij verlieten het Sanhedrin, blij dat ze waardig bevonden waren om vanwege die naam smadelijk behandeld te worden. Ze bleven iedere dag, in de tempel of bij iemand aan huis, onderricht geven en de goede boodschap verkondigen dat Jezus de Messias is.

 

 

 


 

 

 

 

0
Shares