Inleiding tot de brief aan de galaten
  • Inleiding 1 : De galaten

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

In een geest van zachtmoedigheid

Broeders en zusters, als iemand op een misstap betrapt wordt, moet u, geestelijke mensen, zo iemand in een geest van zachtmoedigheid overeind helpen; let erop dat u niet ook zelf in verleiding komt. 2 Help elkaars lasten te dragen; op die manier zult u de wet van Christus vervullen.
Ga 6,1-2

Antoinette Van Mossevelde
43-50

In nauwelijks 2 verzen schetst Paulus een hele levenshouding.

Het gaat om gedrag gericht op herstel, op nieuwe kansen, op kracht van gemeenschap, op zoek naar wat verloren was. We horen hier een echo van Jezus’ woorden in het Lucas-evangelie:  ‘Zo zal er in de hemel meer vreugde zijn over één zondaar die zich bekeert, dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben. (Lucas 15,7)

Niet als kampioen van de liefdadigheid maar in een geest van zachtmoedigheid mekaar overeind helpen.

In het begrip zachtmoedigheid weergalmt psalm 37 en de 3de zaligspreking zoals Matteüs ze optekent: ‘Zalig de zachtmoedigen want zij zullen het land bezitten.’ (Matt. 5, 5)

De geest van zachtmoedigheid wordt vooral betekenisvol in ‘scheve situaties’, bij conflicten, bij onrecht en geweld. Het gaat er niet om lijdzaam misdaden te ondergaan of op zijn beloop te laten. Integendeel, het gaat om tedere daadkracht die haar houding niet laat dicteren door daden van de ander. Je weigert je houding te laten bepalen door de ander maar door die tedere daadkracht. Het gaat om geweldloos verzet en de moed om constructief betrokken te worden bij de miserie die een mens zichzelf en anderen over het hoofd trekt, Bij het onrecht dat gebeurt en waarvoor mensen verantwoordelijk zijn en blijven. Je laat hen daarmee niet alleen achter.

Zachtmoedigheid heeft weet van het verlangen én het onvermogen de mens te zijn die we zouden willen zijn. Ze gaat behoedzaam om met de kwetsbare en falende kanten van onszelf en anderen. Dergelijke draagkracht ontwikkelt zich wanneer ze kan verankeren in een genereuze, milde scheppingskracht, in de Adem van het begin, in de Geest die bijeenbrengt wat was verdeeld.

Van mens tot mens, gemeenschap opbouwen vraagt méér dan liefdadigheid. Dat veronderstelt dan ook de verdere uitbouw van onze sociale zekerheid, het kwijtschelden van de schuldenlast van zoveel tot derde wereld gemaakte landen, de inzet voor een rechtvaardig belastingstelsel, en eerlijke wereldhandel. Dit is tedere daadkracht waarin we helpen elkaars lasten te dragen.

Antoinette Van Mossevelde
Gent

Libérés pour aimer

Nog een laatste keer kwaad


Bernard De Cock
Nog een laatste keer kwaad
Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6 bevat (tot en met vers 10) de verderzetting van de praktische oproepen of aansporingen uit hoofdstuk 5. Paulus benoemt hier in zijn zesde hoofdstuk het grondbeginsel van de christelijke moraal, namelijk dat we moeten leven volgens de wet van Christus. En dat is de wet van de liefde, ons meegedeeld door zijn Geest. Dat eindigt in een opvallend rustige en verzoenende taal die zeer sterk contrasteert met de passionele en polemische toon van zijn brief: “Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed zijn voor allen, maar vooral voor onze geloofsgenoten” (6, 10).

En dan komen we aan de slotverzen of de conclusie (6, 11-18). Sommigen noemen het – terecht, vind ik – een post-scriptum. Je zou mogen verwachten dat dit PS in een gelijkaardige rustige sfeer wordt geschreven als het voorgaande vers. Die sfeer vind je trouwens ook telkens op het einde van de andere brieven van Paulus, met gewoonlijk enkele persoonlijke groeten. Maar wat doet de apostel hier? Hij schakelt terug over naar de polemische toon. Bovendien heeft Paulus vanaf hier zijn brief niet meer gedicteerd, maar schrijft nu zelf verder in eigen handschrift, met grote letters (6, 11). Gejaagd, nog steeds kwaad, alsof hij met sterke nadruk wil zeggen: ik zal het nu zélf nog eens opschrijven met mijn eigen woorden. Het is alsof hij niet volledig tevreden is met de retorisch knap opgebouwde uiteenzetting. Kortom, als je na zo’n hard epistel zoals de Galatenbrief eigenhandig een post-scriptum in grote letters toevoegt, een PS dat ook nog eens bol staat van stevige berisping, dan moet het je wel heel hoog zitten. Inderdaad, hij haalt opnieuw uit naar zijn tegenstanders (6, 12-13) en herhaalt zijn persoonlijke verklaring over de kwestie van de besnijdenis (6, 14-16), met het afsluitende verzoek om hem in de toekomst geen last meer te bezorgen (6, 17). Tenslotte voegt hij daar slechts een korte zegening aan toe (16, 18). Laten we dat nog even nader bekijken.

Paulus’ laatste verketterende en emotionele uitval aan het adres van zijn tegenstanders mag je als volgt vertalen: ‘Wat zijn dat toch voor mensen die u de besnijdenis proberen op te dringen; het zijn allemaal mensen die in het openbaar een goed figuur willen slaan om maar geen vervolging te lijden omwille van het kruis van Christus. Want zelfs zij die zich laten besnijden, houden zich niet aan de wet, maar ze willen dat jullie zich laten besnijden opdat zij daarop trots zouden kunnen zijn.’ Welnu, zegt Paulus, ik zelf beroem mij alleen op het kruis van Christus. In mijn lichaam draag ik daarvan ook de merktekenen, die volop verschillen van de tekens van de besnijdenis. Bij ‘merktekenen’ denke men aan wat Paulus allemaal heeft te verduren gehad (gevangenis, zweepslagen, steniging, schipbreuk, honger, dorst, enz. – zie 2 Kor. 11,23-29). Dat alles geeft hem naar eigen zeggen het gezag om als apostel het evangelie van het kruis te verkondigen. En dan volgt de kern van de hele brief, namelijk dat in Christus Jezus noch de besnijdenis noch de voorhuidigheid van belang zijn, maar het geloof dat werkzaam is door de liefde. Voor Paulus is het belangrijkst hoe we leven, wat we doen, hoe we ons gedragen, dat alles als het gevolg van een actief geloof op basis van de liefde. Dat is de nieuwe schepping die we in vrijheid mogen beleven. En dat geldt voor alle mensen die naar dit beginsel leven, namelijk ‘het Israël van God’, dat is iedereen zonder onderscheid. Als dat geen actuele vermaning insluit voor ons allen.

Paulus eindigt met een heel korte, in zijn tijd algemeen bekende zegenwens. Geen uitgebreide, innige en persoonlijke slotgroet en zegen, zoals bv. In de tweede Korintiërsbrief. Neen, kort… zijn stem trilt nog.

Bernard De Cock
Gent

Zijn we bereid onze schort om te doen?

Want wie meent iets te betekenen, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf. Laat ieder zijn eigen gedrag onderzoeken, dan zal hij zijn roem wel vóór zich houden en er zijn naaste niet mee lastig vallen; want ieder heeft zijn eigen vracht te dragen.
Ga 6,3-5

Marianne Goffoël
44-50

‘Wie meent iets te betekenen, terwijl hij niets is, bedriegt zichzelf.’ Harde woorden van Paulus om te incasseren, zowel voor de Galaten gisteren als voor ons vandaag. Paulus hamert op die ene onmisbare voorwaarde voor wie deel wil uitmaken van de christelijke gemeenschap: leven van de geest van het evangelie, leven van Christus zelf.

Vanaf onze vroegste kindertijd hoorden we zeggen dat we de beste moesten zijn, de eerste van de klas, de kei in alles… de slimste, de knapste, de rijkste… Dit ideaalbeeld van het ‘ik’, tjokvol ambitie, kan zich slechts realiseren ten koste van anderen, door een rivaliteit zonder genade. ‘Aut Caesar, aut nihil’, of niets of alles, de beste zijn of – zo goed als – een niemendal, in de ogen van anderen, in onze eigen ogen.

Hiertegen trekt Paulus ten strijde. Hij voert ons terug tot de essentie. Wat hij ons wil zeggen laat zich samenvatten in enkele woorden: ‘stop naar jezelf te staren, richt je blik en je hart op de ander’. Maar niet op eender welke manier. Dit vraagt om een ontlediging van onszelf, een afkering van onze natuurlijke neigingen. Christus is gekomen om ons bij de kern van het geloof te brengen: de liefde. De liefde voor God en voor de naaste. En gaat het hierbij niet om één gebod, zoals Jezus het zegt in zijn antwoord aan de farizeeën? (Mt 22,36) Zo is het ook dat Jezus ons wordt voorgehouden in het evangelie van Witte Donderdag, wanneer hij als dienaar de voeten wast van zijn leerlingen. Aan dit gebaar voegt Jezus deze woorden toe: ‘Wat ik voor jullie doe, doe evenzo’. Een oproep dus aan ieder van ons om onze schort om te doen. Zijn wij bereid te beminnen met die ene, enige liefde?

Marianne Goffoël
Brussel

Sommes-nous prêts à mettre notre tablier ?

Wat een mens zaait zal hij ook oogsten

Wie onderricht ontvangt in het woord van God, moet zijn leermeester laten delen in alle goeds dat hij bezit. Maak u niets wijs: God laat niet met zich spotten. Wat een mens zaait zal hij ook oogsten. Wie zaait op de akker van zijn zondige natuur, zal van die natuur verderf oogsten; wie zaait op de akker van de Geest, zal van de Geest eeuwig leven oogsten.
Ga 6,5-8

Marcel Braekers
45-50

Dit laatste hoofdstuk is een wat rommelige aaneenschakeling van raadgevingen. Het geeft de indruk dat een latere auteur verspreide uitspraken van Paulus heeft samengebracht.

In vers 6 – 10 staat: Wie onderwezen wordt, moet al het goede dat hij leert met zijn leermeester delen.  De Naardense Bijbel vertaalt precieser: Wie onderwezen wordt in het woord moet wie hem onderwijst laten delen in alle goede dingen. Diezelfde aanmaning staat ook in Romeinen 15, 27 en 1 Korinthiërs 9,11. Elke keer is het duidelijk dat Paulus met ‘goede dingen’ materiële steun bedoelt.

Het is toch vreemd dat hij dat steeds weer moet herhalen. Je zou denken dat het om een elementaire vorm van broederlijkheid gaat. De rondtrekkende predikanten waren enthousiaste maar ook kwetsbare figuren.  Sommigen waren goed opgeleid en bemiddeld, maar de meesten waren intellectueel kwetsbaar en hadden alles achtergelaten (wat dikwijls niet veel voorstelde). Dat waren de eerste verkondigers die de basis legden voor de latere Kerk. In de evangeliën die veel later zijn geschreven wordt deze levenswijze als evangelische raad opgenomen. “Neem niets mee voor onderweg, geen stok,  geen reistas, geen brood en geen geld, ook geen kleren.”

Paulus neemt het voor deze kwetsbaren op, terwijl hij het voor zichzelf niet nodig had. Zijn beroep van tentenmaker was erg in trek en een gereedschapskist was gemakkelijk mee te nemen. En toch is het bevreemdend dat rijke gemeenten wel graag naar het onderricht kwamen luisteren en vervolgens deze predikanten aan hun lot overlieten. Wat hadden ze van de nieuwe mentaliteit begrepen? Wat had de Geest bij hen teweeg gebracht? Het onbekommerd, belangeloos enthousiasme stak schril af tegen de krenterige, egocentrische houding van de toehoorders. Want een geloof dat niet tegelijk solidair is zowel met gelijkgezinden als met de ‘anderen’ is een bedenkelijk ingekapseld geloof.

 

Marcel Braekers
Heverlee

Raak niet ontmoedigd het goede te doen

Laten we onophoudelijk goed doen; want als we de moed niet opgeven, zullen we te zijner tijd de oogst binnenhalen. Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed zijn voor allen, maar vooral voor onze geloofsgenoten.
Ga 6,9-10

Claude Sélis
46-50

Jullie weten wel, beste broeders, dat verknochtheid aan Jezus’ boodschap het goede doen impliceert, op heel concrete wijze, dag-in dag-uit, binnen de eigen gemeenschap én daarbuiten. Maar zoals ik jullie reeds eerder heb gezegd: Jezus’ boodschap kan daar niet toe herleid worden. Het kan er slechts een praktisch, normaal, vanzelfsprekend gevolg van zijn. Ik heb jullie nooit een ‘kleine moraal’ onderwezen, een levenswijsheid zoals zovelen die vandaag verkopen, met enkele richtlijnen om aangenamer in het leven te staan, of zelfs met een zekere berusting, fatalistisch en ongevoelig voor de wereld. Ik heb jullie daarentegen toewijding aan een persoon geleerd, een persoon die naar ons is toegekomen met een andere blik op de wereld, een andere manier om zich erin te situeren, met een wil om deze te transformeren. Binnen dit kader krijgt het goede doen een heel andere dimensie. Het gaat dan niet meer om een verstandige berekening van goed burgerschap, om balsem voor het individuele geweten; maar wel om getuigenis, aanvankelijk nog heel gewoontjes. Getuigenis van een levensloop die in bepaalde omstandigheden echter buitengewoon kan worden.

Het goede doen zo nu en dan, of wanneer iedereen het goede doet, is niet zo moeilijk. Maar het goede doen in een context van spanning, conflict, falen, teleurstelling, gebrek aan resultaten… dat is wat anders! Ziedaar de vijand: ontmoediging. Waar zal je in zo’n geval kracht uit putten? Uit nieuwe voorschriften? Door je een rad voor ogen te draaien? Ik heb kracht gevonden in Jezus Christus. Natuurlijk zou ik best graag de vruchten van mijn handelen bij leven willen zien, maar mijn volharding hangt daar niet van af. Ik weet dat voorbij mijn eigen persoon, mijn daden hun werkelijke vruchtbaarheid kennen in Jezus Christus. Het is zelfs zo dat mijn daden een lege doos zijn als ze niet in Hem tot vrucht komen. Het gaat dus niet om het moment, nu of later, maar te weten waar mijn daden tot werkelijke vruchtbaarheid komen. Wat echter wel gebonden is aan de tijd, is het menselijke handelen. Als mens kan ik het goede niet anders dan nù doen, tijdens mijn aardse leven. En dat is niet eeuwigdurend! Dus, mijn beste broeders, stel niet uit tot morgen, maar doe het goede in dit leven.

Claude Sélis
Brussel

Ne vous découragez pas de faire le bien

Een indrukwekkende epiloog

Zie met wat voor grote letters ik u nu eigenhandig heb geschreven. De lieden die zo graag in menselijk opzicht een goed figuur willen slaan, trachten u alleen maar de besnijdenis op te dringen om niet vervolgd te worden vanwege het kruis van Christus. Want die besnedenen onderhouden zelf niet eens de wet, maar willen wel dat u zich laat besnijden, om daarop trots te kunnen zijn.
Ga 6,11-13

Tommy Vandendriessche
47-50

In een indrukwekkende epiloog herneemt Paulus nog eens alle thema’s uit de brief maar nu met nóg meer nadruk. Een dergelijke brief was bedoeld om te worden voorgedragen. Paulus zal die dus hebben gedicteerd alsof hij zijn toespraak, in levende lijve, tot een publiek richtte. Hij maakt hier gebruik van alle technieken van de overredingskunst (retorica). In de eerste eeuw was het niet ongewoon dat dergelijke toespraken een polemisch karakter hadden. Het is wel eerder ongewoon dat Paulus hier de hele verdere brief (een krachtige herneming van de kern van zijn betoog) eigenhandig afwerkt. Het zegt iets over zijn gedrevenheid.

Paulus was ongetwijfeld iemand met een groot organisatorisch talent. Hij stichtte tal van gemeentes. Hij bemoedigde en vermaande, structureerde en adviseerde. En daarna trok hij verder … misschien was dit maar goed ook? Hij was misschien teveel profeet om alleen maar manager te zijn? Paulus was ook teveel ‘gegrepene’ om op zijn uitspraken een leerstelsel te bouwen.

Iedere beweging die niet wil verschrompelen en betekenisloos worden heeft, af en toe,  Paulussen nodig: vrouwen en mannen die onbevreesd durven spreken, vanuit een grote innerlijke vrijheid. Die eigenzinnig de ‘rand’ durven opzoeken. Die het ook wat scherper durven formuleren en vragen durven stellen: ‘Wat is de ‘kern van de zaak’?’  “Wat moeten we durven loslaten?”  “Wat moet worden behouden en verder ontwikkeld?

In zijn recent toespraak ‘Christen-zijn in de 21e eeuw’ stelt Thomas Halik de vraag of het niet simplistisch is om mensen op te delen in ‘gelovigen’ en ‘ongelovigen’ op basis van hun antwoord op de vraag of ze al dan niet in God geloven en tot welke religie of kerk ze beweren te geloven. “Vergeten we niet dat er velen zijn die geloven zonder ergens bij te horen, en velen die ergens bijhoren zonder te geloven.

Tommy Vandendriessche
Roeselare

Un épilogue impressionnant

Vrijgegeven, geleverd

Wat mij betreft: ik denk er niet aan mij op iets anders te beroemen dan op het kruis van onze Heer Jezus Christus, waardoor de wereld voor mij gekruisigd is en ik voor de wereld gekruisigd ben.

Ga 6,14

Myriam Tonus
48-50

Aan het einde van zijn brief aan de Galaten biedt Paulus hen het meest essentiële aan, datgene dat zijn leven op zijn kop heeft gezet: Christus de gekruisigde Messias. Heeft de apostel zich overgegeven aan een morbide fascinatie voor het lijden? Jammer genoeg is het zo dat sommige auteurs door de eeuwen heen de woorden van Paulus hebben verstaan... en tegelijkertijd een schuldige impasse teweeggebracht over alles heen wat zich in de loop van de brief heeft ontvouwd. Wat Paulus van vervolger tot apostel transformeerde was een intieme ervaring, gegraveerd in zijn vlees. Hij, een onverbiddelijke verdediger van de wet van zijn volk, « wiens ziedende woede nog steeds de leerlingen van de Heer met de dood bedreigde » (Handelingen 9,1), ontvangt nu deze openbaring die zijn meest verankerde zekerheden omverwerpt: door zich vrijelijk afhankelijk te maken van het kruis legt Jezus de religieuze wet bloot die hem veroordeelt. Tegelijkertijd bevrijdt hij elke mens van de voorschriften van een wet die niet voor het leven is gemaakt, maar hem integendeel in zonde en dood opsluit.

Paulus' ervaring is die van de bekering. Niet wat men over het algemeen onder dit woord verstaat – de aansluiting bij een nieuwe leer - maar metanoia, die complete omwenteling die als een omkering van de polen is. Niet langer de plicht die de wet voorschrijft, maar de oneindige vrijheid die wordt gedragen door de adem van de liefde; niet langer de slaafse afhankelijkheid van God, maar de kentekenen van de waardigheid van de zoon; niet langer de menselijke natuur die is overgeleverd aan haar omzwervingen, maar de herschapen mens, bewoond door het leven zelf van God, die voor de wereld een icoon is geworden van Christus die erin leeft. Bevrijd, bevrijd, definitief vrijgevochten zonder enige schuld, zal Paulus voortaan het goede nieuws van een gekruisigde Messias prediken. Schandaal en waanzin in de oren van de rechtvaardigen. Buitengewone bevrijding die alles in ons kruisigt wat slaafs gebonden blijft aan de routines en krachten van de wereld. 

Myriam Tonus
Dampremy

Libéré, délivré

Een nieuwe schepping

Het gaat niet om besnijdenis of onbesnedenheid, maar om de nieuwe schepping. Laat vrede en barmhartigheid komen over allen die naar dit beginsel leven, en over het Israël van God!

Ga 6,15-16

Zr Agnes Schreck
49-50

Elk jaar voor Pinksteren wachten we in de bovenzaal op de vervulling van Jezus’ belofte: ‘wanneer de heilige Geest over u komt, zult ge de kracht ontvangen en mijn getuige zijn… tot het uiteinde van de aarde’ (Hnd 1,8). Samen bidden we: ‘Kom, heilige Geest’. Verlangend stellen we ons open voor Gods belofte, en laten ons beperkt begrip, ons politiek groepje, onze eigen agenda los. Bij de Galaten werd die agenda gedomineerd door de categorieën ‘besneden’ en ‘onbesneden’. Paulus’ antwoord aan hen is nog steeds relevant voor ons vandaag: ‘leef als een nieuwe schepping!’

Paulus zag in dat de belofte van het Oude Verbond, waarvan de besnijdenis het teken was, tot vervulling was gekomen, en nu een nieuw teken was gegeven: ‘Kijk maar, hier zijn mijn handen; kom nu maar met je vinger. En kom met je hand om de opening in mijn zijde te voelen. Wees niet langer ongelovig, maar gelovig!’ (Joh 20,27) Elders schrijft Paulus dat ons nieuwe leven begint door de deelname aan dit teken, de dood en verrijzenis van Jezus Christus: ‘Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven, opdat ook wij, zoals Christus door de macht van zijn Vader uit de doden is opgewekt, een nieuw leven zouden gaan leiden’ (Rom 8,4). Door ons doopsel zijn wij een nieuwe schepping, als leden van zijn lichaam één in de dood én in de verrijzenis van Jezus. Deze gave wordt door Paulus beschreven als een beginsel om ons leven op te ijken. Dit is een uitnodiging voor iedereen. Op deze dag voor Pinksteren wensen we dat iedereen de vrede en barmhartigheid waarvan Paulus spreekt zou mogen ervaren. Kom, heilige Geest! Laat ons dag in, dag uit meer naar dit beginsel leven. ‘Geeft U uw adem, dan wordt alles geschapen: U maakt de aarde weer helemaal nieuw’ (Ps 104,30).

Zr Agnes Schreck
Sittard (NL)