Inleiding tot de brief aan de galaten
  • Inleiding 1 : De galaten

  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • 5
  • 6

Door een belofte

Broeders en zusters, een voorbeeld uit het dagelijkse leven: ook onder de mensen kan niemand een rechtsgeldig testament tenietdoen of wijzigen. Nu zijn de beloften aan Abraham gedaan en aan zijn nageslacht. (Het woord staat in het enkelvoud, niet in het meervoud: ‘en aan uw nageslacht’, en dat nageslacht is Christus.) Ik bedoel dit: een door God bekrachtigd testament wordt niet ontkracht door de wet die vierhonderddertig jaar later is gekomen, zodat de belofte zou komen te vervallen. Als de erfenis afhankelijk was van de wet, dan zou ze het niet zijn van de belofte. Maar God heeft juist door een belofte Abraham zijn genade betoond.
Ga 3, 15-18


 Marcel Braekers

15-50

Paulus laat ons een staaltje rabbijnse argumentatiekunst zien. De centrale idee is dat Gods belofte om zich met de mensen en hun geschiedenis te verbinden niet alleen voor de Joden was bestemd maar voor alle volkeren. De Joden steunden hun uitverkiezing op het feit dat ze de 10 Woorden via Mozes hadden gekregen en in de verdere tijd probeerden die te onderhouden. De Belofte van God gaat echter terug op Abraham die zoveel eeuwen eerder leefde. Daarbij, zo zegt Paulus, deed God die belofte aan Abraham ‘en zijn nageslacht’. Dat is enkelvoud, dus God deed die belofte niet aan een volk maar aan één persoon. Dat kan voor hem alleen Christus zijn. Voor ons misschien een wat vreemde redenering maar typisch rabbijns om op basis van één detail (het woord ‘nageslacht’) een hele redenering op te bouwen.

Voor Paulus was de belofte belangrijker dan de Wet en gaf ze aan de Wet zelfs een eigen betekenis. Belofte en Testament zijn hier synoniem. God tekende een testament met Abraham en alleen God kan dat testament wijzigen, niet mensen. De redenering is wat ingewikkeld, maar wat Paulus wil aantonen is dat de Joden hun chauvinisme van uitverkoren volk moeten opgeven. Via Christus, de erfgenaam van Abraham, is er genade of zegen voor heel de wereld. Dat is voor hem het fantastische, want er is nu een uitweg waarbij alle volken en alle rassen kunnen delen in dezelfde liefde, in dat universele verbond. Paulus overstijgt zo alle bekrompen nationalisme en particularisme en toont een nieuwe weg van grenzeloze liefde.

Marcel Braekers
Brussel

Door een belofte 


 

Voor een levend geloof

Waartoe dient dan de wet? Die is erbij gekomen met het oog op de overtredingen, tot de komst van het nageslacht op wie de belofte betrekking heeft. Ze is uitgevaardigd door engelen door tussenkomst van een middelaar. Maar een middelaar vertegenwoordigt meer dan één persoon, God echter is één. Is de wet dan in strijd met de beloften van God? Dat nooit! Als er een wet gegeven was die het leven kon schenken, dan zou de gerechtigheid inderdaad voortvloeien uit de wet. Maar de Schrift heeft alles opgesloten onder de zonde, zodat de belofte gegeven wordt aan hen die geloven, en wel op grond van het geloof in Jezus Christus.
Ga 3, 19-22


 Claude Sélis

16-50

Ik denk, beste zusters en broeders, dat jullie te veel plaats inruimen voor de Wet. Vooral aangezien jullie die Wet eigenlijk herleid hebben tot een aantal verplichtingen en verboden. Ik begrijp die afwijking best. Het begint steeds met de beste intenties. Jullie willen de Wet ernstig nemen. En daarvoor willen jullie dat de priesters haar vertalen in concrete voorschriften. Zo weten jullie zeker wat te doen of laten om God welgevallig te zijn, zonder zelf nog te hoeven nadenken. Zou ik durven stellen dat de Wet voor jullie eigenlijk een mechanisme is geworden, enerzijds voor een zuiver geweten, anderzijds tot zonde? Dat is echter niet de geest van de Wet die Mozes gegeven heeft. Zijn bedoeling was God aanwezig te stellen onder jullie, in de hele gemeenschap. Vanzelfsprekend voltrekt zich dat in concrete gedragingen. Maar een zuiver formalistische benadering verdraait het van Gods aanwezigheid in de wereld tot een tentoonspreiden van het eigen kunnen.

Bovendien, beste zuster en broeders, hebben jullie die Wet (uiteindelijk maar een tekst) nog wel nodig sinds jullie de Blijde Boodschap van Jezus Christus ontvangen hebben? Sinds jullie de genade te beurt viel een Persoon te ontmoeten, Jeuzs Christus, die de vervulling is van de oude belofte van een verbond met God, en niet zomaar een bemiddelaar ervan, zoals Mozes? Die Jezus vraagt niet een telefoonboek aan voorschriften te respecteren maar om zijn Boodschap te beleven, in geest en waarheid, in alle reeds gekende maar ook in nog onbekende omstandigheden. De wereld kan grondig veranderen binnen enkele decennia, a fortiori binnen enkele eeuwen, als het God belieft. Wat zal de levende trouw aan de basiswaarden van het Evangelie van Jezus Christus betekenen in die nieuwe omstandigheden ? Ziedaar de uitdaging waarvoor wij geplaatst zijn en geplaatst zullen worden!

Claude Sélis
Brussel

 Pour une fidélité vivante


 

Op ongekende grond!


Ludovic Namurois
Op ongenkende grond
Hoofdstuk 3

Na lezing van de eerste drie verzen van dit hoofdstuk begrijpen we allicht beter waarom Paulus in de loop der tijden niet enkel vrienden heeft gemaakt. Zowel in het heden als in het verleden zijn er bewonderaars geweest die hem hebben geprezen om zijn durf, zijn verstand, zijn trouw… en critici die zich ergerden aan zijn ‘uitwassen’. Zonder deze laatste groep te vervoegen, moet ik toch op enkele punten mijn verwantschap bekennen met deze ‘domme Galaten’, Keltische neven met wie ik niet enkel een uitgesproken voorsmaak voor fris gerstenat en gebraden everzwijn deel, maar vooral een ietwat zielige neiging me in te dekken met de comfortabele en geruststellende plooien van het deken van de Wet.

Om een vergelijking te hanteren: de Wet is als een van die all inclusive-aanbiedingen waar we in het reisbureau geen nee tegen kunnen zeggen. Zolang we het hotelcomplex niet verlaten, op tijd uit onze luie zetel opstaan vooraleer een groep kinkels het hele ontbijtbuffet geplunderd heeft, we de te vet gefrituurde inktvis en empanada’s zonder smaak vermijden, zou alles goed moeten gaan, zonder verrassingen, noch aangename, noch onaangename. Zoals we het hadden gepland zullen we kunnen genieten van een smaragdkleurige zee, wit zand, schaduw van palmbomen, cocktails à volonté en welverdiende rust.

Tegenover dit azuren perspectief tracht Paulus ons te verleiden met een verrassingsverpakking, die de belofte bevat van een onvergetelijk verblijf in een vreemd hotel, ver weg op ongekende grond, voor onbepaalde duur. Het staat ons vrij dit geschenk te aanvaarden of te weigeren, zoals het ons vrij staat de reis te ondernemen of af te zeggen. Nog voor we onze toezegging hebben uitgesproken, weten we al welke nieuwsgierigheid, durf maar vooral vertrouwen dit in ons zal teweegbrengen en van ons zal vragen.

Eens vertrok een man op reis, de landen die hem bekend waren verlatend, slechts steunend op een woord dat was opgeborreld in zijn binnenste: ‘Trek weg uit uw land, uw stam en ouderlijk huis, naar het land dat Ik u zal wijzen. Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen… om u zullen alle geslachten op aarde zich gezegend noemen’ (Gn 12,1-3). Zijn naam was Abraham, vader van alle gelovigen, met wie Paulus ons in verbinding stelt doorheen de hele heilsgeschiedenis. Abraham, een ‘avonturier’ met geloof in een belofte en hoop op een verzoende wereld, die alle zekerheden achterliet en ‘vertrok zonder te weten waarheen’ (Heb 11,8).

Wanneer Paulus in vers 24 de Wet vergelijkt met een gids, dan staat hier eigenlijke het Griekse woord παιδαγωγός (paidagōgos), waarmee oorspronkelijk niet de onderwijzer werd bedoeld maar wel de slaaf die de kinderen naar school bracht. De Wet is dus geen wijsheidsleraar maar in het beste geval een steunpunt gegeven aan een mensheid tastend op weg naar Christus.

De genade ontvangen, zich als kind van God zien in Christus, door geloof, is daarentegen de vrije act van een volwassene. Onze instemming, gegeven met het vertrouwen dat onze levensgeest vormt, plaatst ons in het voetspoor van Abraham: rusteloze reizigers op weg naar ongekende grond. Om Gregorius van Nyssa te parafraseren: ‘we vertrekken zonder te weten waarheen we gaan, en juist omdat we niet weten waarheen we gaan zijn we op de goede weg’.

Ludovic Namurois
Waver

En terre inconnue



 

Een bron van vreugde

Vóór de komst van het geloof stonden wij onder bewaking van de wet, opgesloten tot het geloof zou worden geopenbaard. De wet is dus voor ons een oppasser geweest tot de komst van Christus, opdat wij gerechtvaardigd zouden worden door het geloof. Maar nu het geloof is gekomen, staan wij niet langer onder de oppasser. Want u bent allemaal kinderen van God door het geloof, in Christus Jezus.
Ga 3, 23-26


 Tommy Vandendriessche

17-50

Voor hedendaagse oren klinkt het woord ‘wet’ misschien onsympathiek? Heeft het er mee te maken dat we veel nadruk leggen op individualiteit? We beseffen dat wetten noodzakelijk zijn maar enthousiast worden we er niet van.  Het lijkt alsof Paulus ons bevestigt in dit aanvoelen. Om te begrijpen wat Paulus wilde uitdrukken moet je zijn geschriften echter in één grote beweging doorlezen. Zijn gedachtengang ontvouwt zich vaak dialectisch waarbij hij het ene moment iets beweert, om daarna het  tegendeel te beweren om uiteindelijk tot een conclusie te komen op een dieper niveau. 

In het evangelie lezen we dat het Jezus helemaal niet te doen was om de Wet af te schaffen, maar wel om ze te vervullen (Mt. 5, 17-19). Het woord ‘wet’ geeft ook niet helemaal weer wat in de Schrift verstaan wordt onder Thora. Thora kan je vertalen als ‘wet’ maar ook als ‘levenonderrricht’, ‘richtingaanwijzer’, ‘weg ten leven’. De Thora wordt  in psalmen, op lyrische wijze, bezongen als een bron van vreugde: “(…) zoeter dan honing, dan honing zo uit de raat.” (Ps. 19, 11)

Wat motiveert Paulus, met beide voeten in de overlevering van het Eerste Testament, dan toch om  zo’n harde woorden uit te spreken over de Wet? Merk wel op dat Paulus later in de Galatenbrief (5,14) zal schrijven: ‘Want de hele Wet is vervat in dit ene woord: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.” En dit is een haast letterlijke citaat uit het boek Leviticus in het Eerste Testament (Lev. 19,18). Het gaat dus om een verstaan van de Wet op een dieper niveau. De Thora is een weg ten leven. Wie op weg gaat neemt risico’s, de risico’s van de liefde.  Hiervoor kun je geen levensverzekering afsluiten. Die woorden mogen we lezen als tot ons gericht.

Tommy Vandendriessche
Roeselare

Une source de joie


 

Een revolutie

Want allemaal bent u in Christus gedoopt, met Christus bekleed. Er is geen Jood of Griek meer, er is geen slaaf of vrije, het is niet man en vrouw: u bent allemaal één in Christus Jezus. Maar als u bij Christus hoort, dan bent u ook nageslacht van Abraham, erfgenamen overeenkomstig de belofte.
Ga 3, 27-29


Myriam Tonus

18-50

Paulus verlegt in zijn lofzang op de bevrijding zoveel mogelijk de grenzen. Het zijn niet langer alleen de religieuze verplichtingen waarvan we zijn bevrijd, maar ook van elke verdeeldheid die bestaat in alle samenlevingen die zonder meer de macht van sommige mensen over andere rechtvaardigen. In de tijd van de apostel wordt iedereen geacht zijn plaats in te nemen: mannen en vrouwen, slaven en vrije mannen, Joden en niet-Joden. De verhoudingen worden namelijk gekenmerkt door overheersing : de man is het hoofd van de vrouw (Paulus zal zich dit herinneren in zijn brief aan de Efeziërs), de meester heeft gezag over de slaaf, een Jood is superieur aan een niet-Jood. Dit kan niet ter discussie worden gesteld, en niemand denkt eraan om het aan te vechten. En hier lijkt Paul al deze verschillen met één woord te wissen! Betekent dit dat in Christus alle mensen hetzelfde zijn? Helemaal niet.

Paulus prijst herhaaldelijk de diversiteit in de gemeenschappen. Wat hij hier verkondigt is niets minder dan het einde van relaties van overheersing. Met andere woorden, hij zet gelijkheid aan de horizon. Nog geen gelijkheid van rechten: in de eerste eeuw zijn we nog steeds in zeer hiërarchische vormen van de samenleving. Maar om te beweren dat ongelijkheden in status niet langer het gedrag van macht en overheersing kunnen rechtvaardigen is echt revolutionair!  Dat agape - die onvoorwaardelijke liefde gebracht door Christus - circuleert tussen man en vrouw, meester en slaaf, Jood en heiden, dat is zoveel als de orde van de wereld omver werpen. En dit is wat Paulus zelf in praktijk brengt in zijn leven: hij zet zijn vrouwelijke medewerkers op het voorplan (jawel !); hij beschouwt Onesimus, een weggelopen slaaf, als zijn broer; zijn dierbare gemeenschappen bestaan uit bekeerde heidenen. Zelf bevrijd door Christus, verkondigt hij nu de bevrijding onder de mensen. De ongehoorde aard van deze verkondiging blijft brandend actueel !.

Myriam Tonus
Dampremy

Une révolution

De volheid van onze tijd

Ik bedoel dit: zolang de erfgenaam onmondig is, verschilt hij in niets van een slaaf, hoewel hij heer van alles is; maar hij staat onder voogden en beheerders tot het tijdstip dat door zijn vader is bepaald. Zo waren ook wij slaven zolang we onmondig waren, onderworpen aan de machten van de kosmos. Maar toen de volheid van de tijd gekomen was, heeft God zijn Zoon gezonden, geboren uit een vrouw, geboren onder de wet, om hen die onder de wet stonden vrij te kopen, opdat wij de rang van zonen zouden krijgen..
Ga 4, 1-5


Zr Mary Amatha Müller

19-50

In de geschiedenis van het heelal kunnen we heel wat ‘grote’ momenten onderscheiden:  de Schepping, de Uittocht uit Egypte, de Menswording, de Verlossing. Te midden van die grote momenten is er de volheid, de vervulling van de tijd, toen God ons zijn Zoon heeft gezonden. Maar er bestaat ook een volheid, een vervulling van onze eigen tijd: ons doopsel, een groot moment van bekering of inzicht in iets belangrijks, het moment waarop Jezus ons heel nabijkomt en onze levens voorgoed verandert. Hij komt op dit eigenste moment, het ‘nu’ van ons leven om ons te redden en ons op te voeden als kinderen van God. Die identiteit van ons, als kinderen Gods, wordt dikwijls vergeten of raken we kwijt, zodat we net als slaven leven, ‘onderworpen aan de machten van de kosmos’, verslaafd aan allerhande tijdelijke pleziertjes die nooit genoeg zijn om aan onze oneindige verlangens te voldoen.

Op de lijst met grote tijdsmomenten wordt er een soms vergeten: de Parousie of de Wederkomst van Christus, wanneer ‘alles in allen’ zal zijn (1 Kor 15,28). Wij leven in de tijd tussen de Verlossing en de Wederkomst. Een tijd die is als een lege bladzijde, en die in ieder van ons de vraag oproept: wat wil jij neerschrijven? Hoe zal je nu als zoon of dochter van de Hemelse Koning leven? Het nu, het heden, is de volheid, de vervulling van onze tijd, en daarom vragen we ook aan de Vrouw uit wie de Zoon geboren werd voor ons te bidden op de twee belangrijkste momenten van ons leven: ‘nu, en in het uur van onze dood. Amen.’

Zr Mary Amatha Müller
Sittard (Nl)

Une révolution

Abba

En dit is het bewijs dat u zonen bent: God heeft de geest van zijn Zoon in ons hart gezonden, die roept: Abba, Vader! U bent dus geen slaaf meer, maar zoon; en als u zoon bent, dan ook erfgenaam, door toedoen van God. Vroeger echter, toen u God niet kende, hebt u goden gediend die geen echte goden zijn. Nu echter, nu u God hebt leren kennen, of liever, door God bent gekend, hoe kunt u zich nu weer keren tot die zwakke en armzalige machten? Wilt u nogmaals hun slaven worden? U houdt zich aan bepaalde dagen en maanden, tijden en jaren … Ik ben bang dat ik me tevergeefs voor u heb afgetobd.
Ga 4, 6-11


Pierre-Paul Boulanger

20-50

In dit fragment brengt Paulus ons in herinnering dat we kinderen van God zijn. Bestaat iets ongelooflijkers dan zich kinderen van God te noemen?!

Zoals met elk kind-zijn verloopt ook het goddelijke kind-zijn in etappes. Diegenen die ooit ouder werden, herinneren het zich misschien. Naar het beeld van Gods liefde ontplooit dit geluk zich in fases. Aanvankelijk heeft men een bepaald beeld van het kind dat nog geboren moet worden. Een projectie van onze persoonlijke verbeelding. Vervolgens voelt men het kind bewegen, eerst de moeder, dan de vader. Maar op dit moment kan van een echte relatie nog geen sprake zijn. Het kind zit ‘opgesloten’ in de baarmoeder.

Bij de geboorte gaat het er meteen anders aan toe: de ouders geven hun kind een naam, spreken over hem of haar als ‘zoon’ of ‘dochter’. Dit wordt zelfs met onuitwisbare inkt ingeschreven in het geboorteregister: de staat erkent het zoon- of dochterschap, de bevestiging van de relatie tussen de ouders en het kind.

Dit is een beetje wat Paulus zegt wanneer hij bedoelt dat God ons als eerste gekend heeft. Het gaat om een onuitwisbare erkenning van het kind als zoon of dochter.

Zo is het ook met de liefde van de ouders voor hun kind. In de loop van zijn kindertijd, na deze liefde gevoeld te hebben, komt het moment waarop het kind ‘abba’ of ‘mama’ zegt. In de taal, door het woord, wordt dit kind-zijn dus ingeschreven, met alle betekenissen die het oproept. Wederzijds vertrouwen, gegeven en ontvangen vrijheid. Het is de onophoudelijk en onmeetbaar gegeven liefde die het kind in staat stelt om liefde als erfdeel in ontvangst te nemen. Dat is wat Paulus bedoelt wanneer hij zegt dat we de Geest – de liefde van Christus – ontvangen hebben, die ons ‘Abba’ doet zeggen.

God heeft ons willen kennen. De eerste om ons vaderlijke liefde te schenken. De eerste om ons zoon of dochter te noemen. En in alle vrijheid mogen wij Hem ‘Abba’ noemen.

Pierre-Paul Boulanger
Luik

Abba 

Word als ik : een slaaf?

Word zoals ik, want ik ben aan u gelijk geworden; broeders en zusters, ik smeek u erom. U hebt mij in niets tekort gedaan.  U weet toch: lichamelijke ziekte was de aanleiding dat ik u indertijd het evangelie verkondigd heb,  en hoewel mijn toestand een beproeving voor u was, hebt u geen spoor van minachting of afkeer getoond. Integendeel, u hebt me opgenomen als een bode van God, als Christus Jezus zelf.
Ga 4, 12-14


Patrick Lens

21-50

Paulus zegt: “Word als ik.” Zonet heeft hij gesproken over het slavenbestaan. Als je niet leeft volgens de Geest, leef je volgens de wet. Je leeft van moeten en mogen, maar niet van de vrijheid. Sommige Galaten willen terugkeren naar de wet, naar de afhankelijkheid van reinheidsvoorschriften, bijzondere dagen. Ook nu zijn er mensen die kiezen voor afhankelijkheid: de sterren, horoscopen… Maar die zorgen niet op een persoonlijke wijze voor ons. Integendeel, wij moeten voortdurend met hén rekening houden, zorgen dat we niets verkeerd doen, alle rituelen stipt uitvoeren. Maar de wet is een bewaker, zegt Paulus, of het nu gaat over de oude joodse wet of alle mogelijke esoterie of horoscopen. Een bewaker: iemand die controleert, maar niet om ons geeft. Het wordt een slavernij. Paulus kiest ervoor om zich door God te laten leiden. Dat is ook niet altijd comfortabel: de enige reden waarom Paulus bij de Galaten kwam, was omdat hij ziek geworden was, en hij was hen tot last. Maar leiding is iets anders dan slavernij: het is je bewust overgeven aan God, ook al snap je niet altijd wat zijn plan is. Maar Paulus heeft in zich de Geest die hem doet uitroepen: Abba! Vader! Hij voelt zich kind van God, en voor een kind wordt gezorgd, ook al moet hij door het leven gaan en zijn volwassen verantwoordelijkheid op zich nemen. Met God kan je praten; zijn liefde voor ons is verzekerd, ook al moet je soms door het donker. Word als ik: een slaaf? Nee, een geliefd kind dat vrije toegang heeft tot God en soms kan stampvoeten en boos zijn. Maar bij God kan je altijd terecht. Je zal altijd de nodige moed en vertroosting krijgen van de Heilige Geest om je weg te gaan. Je zal  soms wel een beetje moeten zeuren: maar doet niet elk kind dat?

Patrick Lens
Brussel

Deviens comme moi: un esclave?