Nog een laatste keer kwaad


Bernard De Cock
Nog een laatste keer kwaad
Hoofdstuk 6

Hoofdstuk 6 bevat (tot en met vers 10) de verderzetting van de praktische oproepen of aansporingen uit hoofdstuk 5. Paulus benoemt hier in zijn zesde hoofdstuk het grondbeginsel van de christelijke moraal, namelijk dat we moeten leven volgens de wet van Christus. En dat is de wet van de liefde, ons meegedeeld door zijn Geest. Dat eindigt in een opvallend rustige en verzoenende taal die zeer sterk contrasteert met de passionele en polemische toon van zijn brief: “Laten we dus, zolang we tijd hebben, goed zijn voor allen, maar vooral voor onze geloofsgenoten” (6, 10).

En dan komen we aan de slotverzen of de conclusie (6, 11-18). Sommigen noemen het – terecht, vind ik – een post-scriptum. Je zou mogen verwachten dat dit PS in een gelijkaardige rustige sfeer wordt geschreven als het voorgaande vers. Die sfeer vind je trouwens ook telkens op het einde van de andere brieven van Paulus, met gewoonlijk enkele persoonlijke groeten. Maar wat doet de apostel hier? Hij schakelt terug over naar de polemische toon. Bovendien heeft Paulus vanaf hier zijn brief niet meer gedicteerd, maar schrijft nu zelf verder in eigen handschrift, met grote letters (6, 11). Gejaagd, nog steeds kwaad, alsof hij met sterke nadruk wil zeggen: ik zal het nu zélf nog eens opschrijven met mijn eigen woorden. Het is alsof hij niet volledig tevreden is met de retorisch knap opgebouwde uiteenzetting. Kortom, als je na zo’n hard epistel zoals de Galatenbrief eigenhandig een post-scriptum in grote letters toevoegt, een PS dat ook nog eens bol staat van stevige berisping, dan moet het je wel heel hoog zitten. Inderdaad, hij haalt opnieuw uit naar zijn tegenstanders (6, 12-13) en herhaalt zijn persoonlijke verklaring over de kwestie van de besnijdenis (6, 14-16), met het afsluitende verzoek om hem in de toekomst geen last meer te bezorgen (6, 17). Tenslotte voegt hij daar slechts een korte zegening aan toe (16, 18). Laten we dat nog even nader bekijken.

Paulus’ laatste verketterende en emotionele uitval aan het adres van zijn tegenstanders mag je als volgt vertalen: ‘Wat zijn dat toch voor mensen die u de besnijdenis proberen op te dringen; het zijn allemaal mensen die in het openbaar een goed figuur willen slaan om maar geen vervolging te lijden omwille van het kruis van Christus. Want zelfs zij die zich laten besnijden, houden zich niet aan de wet, maar ze willen dat jullie zich laten besnijden opdat zij daarop trots zouden kunnen zijn.’ Welnu, zegt Paulus, ik zelf beroem mij alleen op het kruis van Christus. In mijn lichaam draag ik daarvan ook de merktekenen, die volop verschillen van de tekens van de besnijdenis. Bij ‘merktekenen’ denke men aan wat Paulus allemaal heeft te verduren gehad (gevangenis, zweepslagen, steniging, schipbreuk, honger, dorst, enz. – zie 2 Kor. 11,23-29). Dat alles geeft hem naar eigen zeggen het gezag om als apostel het evangelie van het kruis te verkondigen. En dan volgt de kern van de hele brief, namelijk dat in Christus Jezus noch de besnijdenis noch de voorhuidigheid van belang zijn, maar het geloof dat werkzaam is door de liefde. Voor Paulus is het belangrijkst hoe we leven, wat we doen, hoe we ons gedragen, dat alles als het gevolg van een actief geloof op basis van de liefde. Dat is de nieuwe schepping die we in vrijheid mogen beleven. En dat geldt voor alle mensen die naar dit beginsel leven, namelijk ‘het Israël van God’, dat is iedereen zonder onderscheid. Als dat geen actuele vermaning insluit voor ons allen.

Paulus eindigt met een heel korte, in zijn tijd algemeen bekende zegenwens. Geen uitgebreide, innige en persoonlijke slotgroet en zegen, zoals bv. In de tweede Korintiërsbrief. Neen, kort… zijn stem trilt nog.

Bernard De Cock
Gent