Tot vrijheid geroepen


Jef Schoenaerts
Inleiding op Paulus’ brief aan de Galaten
Hoofdstuk 5

“Christus heeft ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven.” Met deze klapper begint hoofdstuk 5 van de brief aan de Galaten. 

De zin doet mij denken aan het levensgevoel in Europa na Wereldoorlog II. Je zou hem in die context kunnen parafraseren als: “De Canadezen, Amerikanen, Nieuw-Zeelanders,… hebben ons bevrijd opdat wij in vrijheid zouden leven.”. Wie leeft in angst en onderdrukking, wie zijn leven niet meer veilig is,… verwelkomt de bevrijding, laat de klokken luiden, haalt de bloemen boven en bejubelt zijn bevrijder met de intentie van eeuwige dank.

Dat is vijfenzeventig jaar geleden.   De meesten onder ons kennen die context slechts uit documentaires en lectuur. Wij vinden het vandaag normaal om in een vrije omgeving te leven.

Voelen wij eigenlijk onderdrukking?  Hebben wij nood aan bevrijding? En wat verstaan we eronder dat Christus ons bevrijd heeft?  Schuilt er voor ons een realiteit achter die woorden?...

Er zit naar mijn aanvoelen iets paradoxaals aan die bevrijding die voor christenen een grondstroom is binnen het geloof. Ons spontaan denken over vrijheid leidt ons in eerste instantie naar recht op autonomie, recht op het uitstippelen van een eigen weg in het leven. En wat doet een christen?  Ziet hij niet net áf van dat alles omdat hij bij zijn levenskeuzes een grotere autoriteit onderkent en erkent?  Een godheid, een god, Iemand die hem influistert wat echt leven is en hem de weg toont naar heilzaam samenleven?   Een godheid, een god, Iemand die hem roept en voor wie hij buigt?

Dat God ons heeft geroepen staat maar liefst vier keer in de brief.  En de laatste keer (5:13) zegt Paulus heel duidelijk waartoé God de Galaten – en ook ons – roept: tot vrijheid.

Hoe aanlokkelijk dit perspectief ook klinkt, het vraagt – in velerlei opzichten - durf om die vrijheid in al zijn breedte op te nemen.  Het vraagt o.a. de durf om een aantal “zekerheden” los te laten zoals dat we onze hemel uit eigen kracht kunnen “verdienen” of dat we – godbetert – iets definitiefs zouden weten over god.   Het vraagt ook de durf van een heel andere orde: de durf om richting te geven aan die vrijheid, om er iets mee te doen.

En ook hierover is Paulus heel duidelijk:  tegenover de Joodse wet met zijn talloze regels en verplichtingen stelt Paulus één nieuwe, éénduidige “wet”: de wet van de liefde.   De vrijheid die daarmee geboden wordt, is allerminst makkelijk want met die wet valt niet te sjacheren. Hier geen telbordje of spaarkaart waar je goede daden objectief genoteerd worden bij het naleven van de regels. Wél een wet waar de ander altijd en overal maatstaf is van mijn handelen. Naastenliefde liegt niet, je kan ze niet bedriegen.

Gelukkig sta je er niet alleen voor: als je twijfelt, terugschrikt of in oude patronen van zelfbehoud terugvalt: “… laat u leiden door de Geest” zegt Paulus tweemaal.   Maar je moet wel kiézen voor de Geest, kiezen voor deze weg. Dit is niet zomaar verworven. Het blijft een dagelijkse opdracht.

Met die naastenliefde en die geestkracht als leidraad wordt het perspectief dat Paulus schetst naast moeilijk ook aantrekkelijk: het opent de weg naar een gemeenschap als een nieuwe schepping, radicaal inclusief en solidair: een ecclesia waar je kracht uit put.

Paulus gooit ook ons vandaag deze keuze voor de voeten. Je kan je hoop stellen op de zekerheid van het telraam en zo het vege lijf proberen redden. Je kan ook kiezen voor de naastenliefde in al zijn onzekerheid want de naaste komt vaak onverwacht en ongelegen.

Mogen we ons verlaten op de Geest die in ons roept en ons leidt om te kiezen voor de liefde? Paulus zegt dat dáár onze hoop ligt (5:5)

Jef Schoenaerts
Heverlee