Op ongekende grond!


Ludovic Namurois
Op ongenkende grond
Hoofdstuk 3

Na lezing van de eerste drie verzen van dit hoofdstuk begrijpen we allicht beter waarom Paulus in de loop der tijden niet enkel vrienden heeft gemaakt. Zowel in het heden als in het verleden zijn er bewonderaars geweest die hem hebben geprezen om zijn durf, zijn verstand, zijn trouw… en critici die zich ergerden aan zijn ‘uitwassen’. Zonder deze laatste groep te vervoegen, moet ik toch op enkele punten mijn verwantschap bekennen met deze ‘domme Galaten’, Keltische neven met wie ik niet enkel een uitgesproken voorsmaak voor fris gerstenat en gebraden everzwijn deel, maar vooral een ietwat zielige neiging me in te dekken met de comfortabele en geruststellende plooien van het deken van de Wet.

Om een vergelijking te hanteren: de Wet is als een van die all inclusive-aanbiedingen waar we in het reisbureau geen nee tegen kunnen zeggen. Zolang we het hotelcomplex niet verlaten, op tijd uit onze luie zetel opstaan vooraleer een groep kinkels het hele ontbijtbuffet geplunderd heeft, we de te vet gefrituurde inktvis en empanada’s zonder smaak vermijden, zou alles goed moeten gaan, zonder verrassingen, noch aangename, noch onaangename. Zoals we het hadden gepland zullen we kunnen genieten van een smaragdkleurige zee, wit zand, schaduw van palmbomen, cocktails à volonté en welverdiende rust.

Tegenover dit azuren perspectief tracht Paulus ons te verleiden met een verrassingsverpakking, die de belofte bevat van een onvergetelijk verblijf in een vreemd hotel, ver weg op ongekende grond, voor onbepaalde duur. Het staat ons vrij dit geschenk te aanvaarden of te weigeren, zoals het ons vrij staat de reis te ondernemen of af te zeggen. Nog voor we onze toezegging hebben uitgesproken, weten we al welke nieuwsgierigheid, durf maar vooral vertrouwen dit in ons zal teweegbrengen en van ons zal vragen.

Eens vertrok een man op reis, de landen die hem bekend waren verlatend, slechts steunend op een woord dat was opgeborreld in zijn binnenste: ‘Trek weg uit uw land, uw stam en ouderlijk huis, naar het land dat Ik u zal wijzen. Ik zal een groot volk van u maken. Ik zal u zegenen… om u zullen alle geslachten op aarde zich gezegend noemen’ (Gn 12,1-3). Zijn naam was Abraham, vader van alle gelovigen, met wie Paulus ons in verbinding stelt doorheen de hele heilsgeschiedenis. Abraham, een ‘avonturier’ met geloof in een belofte en hoop op een verzoende wereld, die alle zekerheden achterliet en ‘vertrok zonder te weten waarheen’ (Heb 11,8).

Wanneer Paulus in vers 24 de Wet vergelijkt met een gids, dan staat hier eigenlijke het Griekse woord παιδαγωγός (paidagōgos), waarmee oorspronkelijk niet de onderwijzer werd bedoeld maar wel de slaaf die de kinderen naar school bracht. De Wet is dus geen wijsheidsleraar maar in het beste geval een steunpunt gegeven aan een mensheid tastend op weg naar Christus.

De genade ontvangen, zich als kind van God zien in Christus, door geloof, is daarentegen de vrije act van een volwassene. Onze instemming, gegeven met het vertrouwen dat onze levensgeest vormt, plaatst ons in het voetspoor van Abraham: rusteloze reizigers op weg naar ongekende grond. Om Gregorius van Nyssa te parafraseren: ‘we vertrekken zonder te weten waarheen we gaan, en juist omdat we niet weten waarheen we gaan zijn we op de goede weg’.

Ludovic Namurois
Waver

En terre inconnue