Een moeilijke vrijheid ?


Mark Butaye
Inleiding op Paulus’ brief aan de Galaten
Hoofdstuk 1


We leven vandaag, erg voelbaar, onder “de wet”. Onze vrijheid wordt nu zwaar beperkt : thuisblijven, afzien van aanrakingen, arbeid, ontmoetingen. Een wet met veel onaangename en onvoorziene gevolgen: depressie, verveling,  eenzaamheid, financieel verlies. En de doden die moederziel alleen sterven.  De lock down wet verplicht. Daar mogen we nu niet onderuit. Zij vraagt een persoonlijk offer en omwille van deze uitzonderlijke virussituatie zijn wij daartoe - redelijk - bereid.  Haar gebod en verbod begrijpen wij als zinvol. Want zij wil ieders leven maximaal beschermen. Die zinvolheid helpt ons verantwoordelijk te zijn. De wet is er niet om de wet zelf. Niet haar ‘wettelijkheid’ of verplichting geeft haar betekenis. Zij ontleent haar redelijkheid aan het doel dat zij beoogt.  De radicale wet die ons vandaag beschermt en thuis gekluisterd houdt, mogen we gerust ‘heilig’ noemen. Dat is geen exclusief christelijke term. Heilig is niet wat zich in of boven de wolken afspeelt. Heilig gaat terug op ‘helen, genezen’ en preventie hoort daar toe. We kunnen die wet ook ‘heilig’ benoemen in de religieuze betekenis van het woord ‘religare’ : zij verbindt ons tot een gezamenlijke opdracht en zij ‘heelt-ons-aan-elkaar’. Zij is dus transcenderend, reikt verder, over mijzelf heen, schept toekomst en maakt dat nieuwe mensen geboren kunnen worden. 

“Tot vrijheid zijt gij geroepen” schrijft Paulus aan de Galaten. Hij doet het met aandrang en maakt zich kwaad. Hij kan namelijk niet begrijpen dat mensen, christenen, hun identiteit ophangen aan de Wet, aan de Thora die hij zelf vroeg zo hardhandig heeft verdedigd. De christen kan in zijn ogen niet de mens zijn die zijn identiteit verantwoordt door vast te houden aan de voorschriften van, in casu, de Joodse Wet – vooral gesymboliseerd in de verplichting tot besnijdenis en in het nauwgezet onderhouden van reinheidswetten. Paulus verdedigt dit standpunt zo hevig, dat hij lijkt in te gaan tegen Jezus’ uitspraak : ‘ Ik ben niet gekomen om Wet en Profeten op te heffen’  (Mt. 5,17-37)  Met zijn oproep tot vrijheid stelt Paulus wel een heel pertinente vraag. En het is erg verwonderlijk dat de Galaten – en bij uitbreiding veel gelovigen vandaag – die grote aanzegging van vrijheid, dat aanbod, niet aangrijpen en koesteren als een weldaad.  Is Paulus’ vrijheid wellicht te moeilijk ?  Vraagt zij misschien inventiviteit, het durven aangaan van risico’s, leven met vragen die geen duidelijk antwoord bieden? Of biedt, daarentegen, het volgen van de wet een grote zekerheid, rust aan het gemoed, de geruststelling dat ‘men in orde is’. Ontslaat het navolgen van de Wet – met zijn vele bepalingen – de mens van de inspanning om te peilen naar zijn geweten, om het te vormen, en om dan de consequenties te dragen van vrij genomen beslissingen ? Vrijheid leven is een harde dobber. Het vereist inzicht en niet weten, durf en voorzichtigheid, ruimte en inperking, engagement en vertrouwen. 

Staan vrijheid en gehoor geven aan de Wet wel tegenover elkaar ? Paulus’ vrijheid is niet de ‘keuzevrijheid’ die onze tijd zo promoot, aanbidt en verslaaft. Hij bedoelt niet het ‘liberale’ dat vooral gunstig is voor wie het zich kan veroorloven – intellectueel, economisch, cultureel,... . Voor Paulus is vrijheid een goed, maar – net zoals de Wet – geen doel op zich dat de mens moet nastreven. Vrijheid, met al haar consequenties is voor Paulus in wezen een gevolg van iets.  Hij had er niet om gevraagd. Vrijheid is hem overkomen, als een indringende menselijke en religieuze ervaring. Hij is nu zodanig vrij, dat hij naar Iemand toe kan leven. Iemand nieuw leren kennen, maakt vrij. “Christus heeft ons vrijgemaakt” ( Gal.5,1). Of zoals Johannes schrijf : ‘De waarheid zal u vrijmaken’.  Zoals een grote liefde een mens de lucht in gooit. Maar niet zonder consequenties.

Mark Butaye
Brussel